“In elk geval” door Alex

“In elk geval” door Alex

Proost lieve vriend, op het leven.

In opdracht van mijn betere wederhelft doe ik iedere zaterdag de markt aan. Kaas van Roel, visje van Hugo, vleeswaren van Jan, kruiden en kruidenthee van Alex, groente en fruit van Joep, bloemetje van Ron etc. Een ingesleten ritueel dat ik, uitgezonderd op zaterdagen dat de regen met stralen uit de hemel neerdaalt, altijd met veel plezier doe. Even met genoemde vakmensen en wat vrienden en bekenden een babbeltje maken en daarna met de ingeslagen waren naar huis, waar de geur van de koffie mij al bij de achterdeur tegemoet komt.
 
Tijdens zo’n rondje, enige jaren geleden, kwam ik ook een van mijn vrienden tegen. We hadden elkaar een paar weken niet gesproken, dus was mijn obligate vraag “En,  hoe gaat met m’n maatje?”. Hij keek mij intens aan en vertelde dat de kanker die hem jaren daarvoor te grazen had gehad, en waarvan hij genezen was verklaard, was teruggekomen en dat hij geen vertrouwen had in uitkomst van de onderzoeken. De week erna kreeg hij van de specialisten helaas bevestigd wat hij al vermoedde. Zonder levensverlengende behandeling zou hij nog maximaal zes maanden te leven hebben. In eerste instantie wenste hij die behandelingen niet te ondergaan. “Ik heb geen zin om de laatste paar maanden van mijn leven grotendeels doodziek te zijn” zo zei hij. Op aandringen van zijn geliefden kwam hij na enige tijd gelukkig op zijn voorgenomen besluit terug. Behandelingen in Nijmegen volgden elkaar in rap tempo op en zowaar, de zware vaak experimentele kuren bleken aan te slaan.
 
In de eerste maanden van de behandelingen werd zijn humeur er volgens zijn vrouw en kinderen door alle nare bijwerkingen en vooral ook de onzekerheid of de kuren wel tot resultaat zouden leiden, niet beter op. Hij wilde niets en zat almaar apathisch thuis, niet in staat zijnde zich op de een of andere manier te verpozen. 
 
Op een goede dag ging de telefoon. Het was zijn vrouw. Of ik niet een poging wilde doen hem weer tot iets te bewegen. Een belletje en een bezoekje was zo gepleegd en, hoewel hij destijds geen sterke drank mocht hebben, enige dagen later zaten we op zaterdagmiddag samen in de kroeg. Hij aan een malt biertje ik aan een glas wijn.
Nadat we elkaar omhelst hadden en een traantje hadden weggepinkt hebben we op zijn verzoek geproost op het leven.
 
Inmiddels zijn we vier jaar verder. Iedere vier tot zes weken komen we nog altijd op zaterdagmiddag samen in dezelfde kroeg. We praten een paar uurtjes honderduit en, omdat het is toegestaan door zijn artsen, doen we dat inmiddels onder het genot van een glaasje wijn of een biertje. Hoewel hij weet dat hij niet genezen kan, wordt zijn leven telkenmale ‘levenswaardig’ verlengd. “Ik leef in blessuretijd” noemt hij het.
 
Hij kan het leven zolang het hem vergeven is op bewonderenswaardige wijze aan en iedereen in zijn omgeving, natuurlijk vooral zijn dierbare naasten, dragen het op even bewonderenswaardige wijze mee. Het is voor mij een voorrecht daarvan als vriend deelgenoot te mogen zijn.
Die zaterdagmiddagen in ons stamkroegje zijn inmiddels van onschatbare waarde geworden. Wetend hoe kostbaar het leven is fluisteren we, telkens als we elkaar omhelzend het glas heffen, “Proost lieve vriend, op het leven”